We use cookies to deliver our online services. Details of the cookies we use and instructions on how to disable them are set out in our Cookies Policy. By using this website you agree to our use of cookies. To close this message click close.

Meer ruimte voor toepassing hoger bonusplafond voor financiële ondernemingen

14 March 2017

Ruim twee jaar geleden is een (20%) bonusplafond in de Wet op het financieel toezicht neergelegd. De variabele beloning mag jaarlijks in beginsel niet meer bedragen dan 20% van de vaste beloning over dat jaar. Hierop heeft de wetgever enkele uitzonderingen geformuleerd, in welk geval de financiële onderneming een bonusmaximum van 100% of in bepaalde gevallen zelfs 200% van de vaste beloning mag hanteren. Deze hogere percentages zijn gebaseerd op de plafonds uit de Europese richtlijn kapitaalvereisten (CRD IV).

Eén van de uitzonderingen betreft financiële ondernemingen met een internationaal karakter en een zetel in Nederland (1:121 lid 5 Wft). Het gaat hier om internationale concerns, waarvan de moedermaatschappij in Nederland zetelt en de werknemers van de totale groep hoofdzakelijk (meer dan 50% van hun tijd) in het buitenland werkzaam zijn. De uitzondering geldt als minimaal 75% van het totale personeel van het concern in drie van de vijf voorafgaande jaren (de 3 jaren behoeven niet aaneengesloten te zijn) buiten Nederland werkzaam is geweest. De financiële onderneming moet zich elk jaar op basis van deze eisen kwalificeren.

Financiële ondernemingen die bij de inwerkingtreding van deze bonusregels op 7 februari 2015 nog niet 5 jaar bestonden konden geen beroep doen op deze uitzonderingsgrond. Dat volgde uit de wetsgeschiedenis, maar DNB heeft dit nu in een toelichting herhaald en verduidelijkt dat er vijf jaar moet worden teruggekeken vanaf het moment dat de moedermaatschappij de uitzondering inroept.

Verder heeft DNB toegelicht dat de Nederlandse moedermaatschappij (oftewel het groepshoofd) de hoogste vennootschap dient te zijn binnen de Europese Economische Ruimte (EU-lidstaten plus Noorwegen, IJsland en Liechtenstein). Dit behoeft dus niet op wereldwijde schaal het geval te zijn. Kortom, de moedermaatschappij van een financieel concern die in Nederland is gevestigd en hoofd is van de Europese groep, kan een beroep doen op de uitzondering, ook wanneer er nog een hogere holding buiten de EER fungeert. De Nederlandse moedermaatschappij hoeft zelf geen (Wft)vergunning te hebben als bijvoorbeeld bank of beleggingsonderneming, maar dat kan wel.

Naar verwachting zullen dankzij deze nadere interpretatie meer internationale financiële ondernemingen de uitzondering op grond van art. 1:121 lid 5 Wft gaan inroepen. Dit is ook interessant voor partijen die de Nederlandse markt betreden; een holding hoeft niet eerst minimaal drie jaar in Nederland te zijn gevestigd om van de uitzondering gebruik te maken zolang de holding in de voorafgaande vijf jaar bestond en aan de betreffende voorwaarden voldoet. In dat geval mag de bonus van het personeel van de Nederlandse moedermaatschappij maximaal 100% van de vaste beloning bedragen. Let wel: dit hogere plafond geldt alleen voor personeel van de moedermaatschappij; voor medewerkers van de overige groepsentiteiten zal (op grond van art. 1:121 lid 1 – lid 4 Wft) per entiteit en/of individu afzonderlijk moeten worden beoordeeld welk bonusplafond geldt. Het personeelsbegrip omvat zowel werknemers als personen die niet rechtstreeks in dienst zijn bij de financiële onderneming, zoals uitzendkrachten, gedetacheerde werknemers en zelfstandigen.

Maria Benbrahim, advocaat corporate employment law bij Hogan Lovells International LLP te Amsterdam (maria.benbrahim@hoganlovells.com)

 
Loading data